De Beginnende Schutter

Deze kan als grondregel aannemen dat hij of zij een opgespannen boog in de juiste houding moet kunnen spannen en ontspannen.

 

Als dit het geval is heeft men over het algemeen geen te zware boog nodig. 
Een te zware boog leidt tot fouten in de schiettechniek.

 

Bij de boogkeuze moeten trekkracht, booglengte, pijllengte + juiste spinewaarde in goede verhouding zijn.
De spinewaarde betreft de doorbuiging van de pijl, een dunne wanddikte van de pijl betekent een soepele buiging,
Een dikke wanddikte geeft een stugge buiging van de pijl.

In de praktijk wil dit gewoon zeggen;

  • schiet men met lichte boog, dan neemt u lichte pijlen (6 of 7).
  • Schiet men met zwaar dan neemt men het best zwaardere pijlen (8 of 10)


Hier bij opletten dat de nok, insert en de stop van toepasing is voor deze dikte van de schacht.

De pijllengte heeft veel te maken met de aangenomen houding van de persoon,
zo ook de lengte van de boog. Een grote persoon zal dus geen te kleine boog nemen,
dit kan namelijk tot materiaalbreuk leiden.
De booglengte wordt in inch gemeten (1" = 25,4 mm).
De sterkte van de boog (trekkracht)wordt in pounds (1 Ibs = 453,5 gram) gemeten.

JoomShaper